Vieze Voyeurs

Je hebt wel eens van die dagen dat je op het verkeerde moment ergens bent waar je niet moet zijn. Voor paparazzi fotografen is dat dagelijkse kost. Hun werk bestaat eruit dingen te zien die niet voor hun ogen bestemd zijn (en ook niet voor de onze) en dit te fotograferen. Want juist deze beelden brengen geld in het laatje. Het publiek smult van roddels over beroemdheden, sporthelden en politici en ziet graag het fotografische bewijs van hun nieuwe (liefst geheime) liefdes, hun misstappen en vooral het bewijs van hoe ook zij gewone mensen zijn. Stiekem willen wij graag net zo zijn als zij. Beroemd worden was nog nooit zo makkelijk, maar echt beroemd ben je pas als je je huis niet uit kan zonder te struikelen over een zwerm flitsende fotografen. Bij ware roem kun je naar je privacy fluiten. Dat hoort er nou eenmaal bij, vinden wij. Een paparazzo, zoals Ron Galella, is altijd op jacht naar de onbewaakte ogenblikken van beroemdheden, om daarmee onze nieuwsgierigheid naar het lief en leed van het leven van de sterren te bevredigen.

De mens is van nature een nieuwsgierig wezen. Niet alleen smullen wij van roddels over sterren, ook de smeuïge details van het leven van de buren of vrienden vinden we onweerstaanbaar boeiend. Ook al doen we misschien alsof we dat niet zo is. Via het beeld wat we ons vormen van de ander spiegelen we onszelf. Over het algemeen is nieuwsgierigheid in onze cultuur sociaal geaccepteerd, maar er zijn wel grenzen. Onze opvoeding en sociale normen en waarden dicteren dat wij ons een beetje inhouden. We gluren wel of luisteren wel eens mee met een gesprek van anderen (omdat we soms ook niet anders kunnen), maar we weten dat het niet hoort, dus zorgen we ervoor dat het niet al te erg opvalt of stoort. Als we zelf slachtoffer zijn van een ongewenste blik sluiten we de gordijnen. Want pottenkijkers, daar houden we niet van.

Voor een fotograaf is nieuwsgierigheid een handige, zo niet noodzakelijke eigenschap, maar zeker voor een paparazzo is nieuwsgierigheid van levensbelang. Hij moet het avontuur niet schuwen, niet bang zijn om zijn neus in andermans zaken te steken. Tegelijkertijd moet hij beschikken over een ongelimiteerde dosis geduld: het kan soms even duren voor hij het beeld wat hij najaagt daadwerkelijk kan vangen. Na dagenlang wachten kan het moment in een fractie van een ogenblik voorbij schieten. Het publiek wordt graag geprikkeld met foto’s van plekken, mensen of momenten waar hij zelf geen toegang toe heeft. Schoonheid van het beeld is voor de paparazzo van ondergeschikt belang. Zijn beelden hoeven niet mooi, niet scherp en niet kunstig te zijn, als de persoon waar het om gaat er maar op staat. Een saillant detail in de foto kan de marktwaarde van een compositorisch matig interessant beeld behoorlijk opjagen. Een onbedoeld ontblote borst van een filmster is bijvoorbeeld een ware kaskraker, zoals de foto van Ali MacGraw die op een oktoberavond in 1978 met haar vriend Larry Spengler Studio 54 verliet. Dat Galella nog jaren persona-non-grata was in de club nam hij op de koop toe.

Er is zelden een situatie waarin de paparazzo ruim de tijd heeft om te fotograferen, hij staat altijd onder druk vanwege het risico op een gewelddadige confrontatie of ontmaskering. Galella bijvoorbeeld had zijn meest fameuze onaangename aanvaring in 1973 met Marlon Brando, waarbij de paparazzo maar liefst vijf tanden kwijtraakte.

De haast laat sporen na in het beeld; (bewegings)onscherpte, beperkte scherptediepte, rare afsnijdingen, scheve horizonten, stukken van de voorgrond die onbedoeld in beeld komen, objecten die zich tussen de fotograaf en gefotografeerde bevinden dominant in beeld, over- of onderbelichtingen, sterke uitvergrotingen waardoor de techniek (pixels of korrels) (extreem) zichtbaar worden. Het bewijs is belangrijker dan de schoonheid van het beeld, sterker nog: de gemankeerde esthetiek is een bewijs van de echtheid van de foto. Fotograaf en criticus Allan Sekula (1951) noemt dit the higher truth of the stolen image: een gestolen beeld lijkt echter dan bijvoorbeeld een theatraal geregisseerd moment in de studio, omdat we denken in het niet geposeerde moment meer van de persoonlijkheid van de gefotografeerde te zien.

Het is natuurlijk onzin om te geloven dat het imperfecte beeld echter is dan het zorgvuldig gecomponeerde beeld in de studio, maar desalniettemin is ons geloof in de transparantie van het medium zo groot dat wij geneigd zijn hierin te geloven. Fotografen gebruiken dit in hun voordeel. Beelden met de kenmerken van het stiekem verkregen beeld suggereren dat zij geheimen onthullen. En dat is wat wij willen zien. Dat weten de sterren ook wel. Voor sterren is de straat slechts het verlengde van de studio.

Zien wat je niet mag zien heeft een grote aantrekkingskracht. Vroeger noemde je iemand die keek naar wat niet voor zijn ogen bestemd was een voyeur. Dat was dan vaak een man - een vieze man - die stiekem keek naar blote vrouwen. Het woord voyeur roept bij de meeste mensen een negatieve associatie op: iemand die stiekem kijkt kan geen goede bedoelingen hebben. Deze negatieve associatie is terug te voeren op de denkbeelden van Sigmund Freud (1856-1939), de grondlegger van de psychoanalyse. Zijn theorie gaat ervan uit dat er bij ieder mens driften en wensen bestaan waar we ons niet van bewust zijn. Volgens Freud is de mens in alles wat hij doet en laat uiteindelijk fundamenteel op zoek naar lust. In de alledaagse omgang weten we ons over het algemeen net te beheersen om zo de directe bevrediging van de lusten te verhinderden, aldus Freud. De verhinderde bevrediging kan leiden tot uitzonderlijke sportprestaties of sublieme kunstwerken (je moet je energie toch ergens kwijt), maar verdrongen lusten kunnen ook leiden tot geestesziekten. De weggestopte verlangens uiten zich niet rechtstreeks, maar altijd via coderingen. Deze zijn volgens Freud naar de oppervlakte te halen door een behandeling waarin de patiënt vrijuit kan praten. Het onbewuste krijgt zo de ruimte en de psychische lucht wordt geklaard.

De mens, zo zegt Freud, wordt gedreven door een liefde voor het kijken, scopofilie. Dat is op zichzelf niet problematisch, maar wanneer het stiekeme kijken in de plaats komt van echt contact, dan noemt men je volgens het ziektebeeld van de scopofilie een voyeur. Sommige voyeurs maken ook nog foto’s, als een soort trofee. Deze psychoanalytische interpretatie van het plezier van het kijken is zo sterk verankerd in ons denken, dat iedere ongeautoriseerde blik een negatieve seksuele connotatie krijgt. Als iemand je een voyeur noemt, bedoelen ze dat meestal niet positief. Hier toont zich de dubbele moraal van onze samenleving: we willen graag alles van de ander weten en zien, maar wie zijn neus steekt in andermans zaken verfoeien we.

Zoals er mensen zijn die plezier beleven aan het kijken, zijn er ook mensen die het plezierig vinden bekeken te worden, de zogenaamde exhibitionisten (zoals Andy Warhol die het ronduit fantastisch vond om door Galella gefotografeerd te worden), in de terminologie van Freud. Voor wie zijn leven leeft in de schijnwerpers van de media is het van groot belang met enige regelmaat in-the-picture te staan. Een goed getimed schandaal kan wonderen doen voor je carrière. Hoe vervelend het soms ook is om altijd maar geconfronteerd te worden met zoemende fotografen om je heen, het is nog vervelender als ze er niet zijn. Dan weet je als ster dat je ster-af bent. Dat maakt de relatie tussen de paparazzi en de sterren ook meteen zo complex.

Theoreticus Geoffrey Batchen (1956) zegt dat de geschiedenis van de fotografie ons leert dat het plezier van het zien zonder gezien te worden zich altijd in het hart van de fotografie heeft bevonden. Hij noemt een aantal voorbeelden van vroege fotografen (William Fox Talbot, Louis Daguerre, Hippolyte Bayard) die het dagelijks leven probeerden te vangen zonder dat de mensen op de foto zich daar bewust van waren, door bijvoorbeeld een camera te laten slingeren tijdens de lange belichtingstijd of door vanuit een raam het leven op straat vast te leggen. Batchen noemt ook voorbeelden van foto’s van Talbot waar hij doet alsof hij de werkelijkheid betrapt, terwijl de techniek daar nog veel te langzaam voor was. Talbot vroeg mensen te poseren alsof de camera er niet- of onzichtbaar was. Ook toen al werd de niet geposeerde foto beschouwd als echter dan de gebruikelijke geënsceneerde beelden. Toen rond het einde van de negentiende eeuw de geïllustreerde kranten en tijdschriften opkwamen werd de voorkeur gegeven aan foto’s van beroemdheden die genomen waren zonder dat zij zich daar bewust van waren. Een stiekeme foto van een bekende persoonlijkheid leverde de fotograaf twee keer zo veel op.

Niet geheel toevallig doet het begrip privacy rond deze tijd zijn intrede in de rechtspraak als de rechters Samuel Warren en Louis Brandeis het recht om alleen gelaten te worden definiëren: ‘Recent inventions and business methods call attention to the next step which must be taken for the protection of the person, and for securing to the individual what Judge Cooley calls the right “to be let alone”. Instantaneous photographs and newspaper enterprise have invaded the sacred precincts of private and domestic life; and numerous mechanical devices threaten to make good the prediction that what is whispered in the closet shall be proclaimed from the house-tops’. Met ‘recent inventions and business methods’ doelden zij op de tot voor kort onvoorstelbare mogelijkheden van lichtere camera’s. Doordat deze eenvoudiger handelbaar werden, werd de fotografie bereikbaarder voor een veel grotere groep mensen dan daarvoor. Ook voor de professionele fotograaf openden zich nieuwe mogelijkheden. Fotografen konden nu op plekken komen en momenten vastleggen die eerder voor de grote, logge, langzame camera’s onbereikbaar waren. Deze camera werd aanvankelijk Detective Camera genoemd, een algemene term voor een snel en handelbaar type camera. De Kodak camera was de meest bekende en goedkoopste van dit type. Aanvankelijk werd deze camera gezien als een specialistische camera, die niet zozeer voor de professionele fotograaf ontwikkeld was, maar eerder voor de professional in andere beroepen zoals de politiefotograaf, de journalist of de detective. Maar de camera werd vooral een succes onder amateurs, die de term Hand Camera minder opdringerig vonden klinken. Deze snelle en lichte camera maakte het mogelijk om mensen onverwacht te fotograferen. Voor het eerst konden mensen op grote schaal stiekem fotograferen. Fotografen, zowel professionals als amateurs, maakten gretig gebruik van deze nieuwe mogelijkheid. Ongeveer gelijktijdig was het drukprocedé inmiddels zover ontwikkeld dat foto’s en tekst samen gedrukt konden worden. In de kranten en weekbladen werden al snel foto’s gepubliceerd waar niet iedereen altijd even blij mee was, maar waartegen zij zich niet konden verzetten. Bestaande wetten waren niet toereikend om de privacy van mensen te beschermen.

In het spel van kijken en bekeken worden speelt de camera een belangrijke rol. Susan Sontag (1933-2004) schreef al in 1977 dat de wereld met de uitvinding van de camera is veranderd in een verzameling van ‘potentiële foto’s’. Door de alomtegenwoordigheid van de camera wordt er gesuggereerd dat de tijd bestaat uit interessante gebeurtenissen, gebeurtenissen die de moeite zijn om te worden gefotografeerd. Zo bezien kan je gefotografeerd worden opvatten als een compliment; jij bent het blijkbaar waard om gefotografeerd te worden. Gefotografeerd worden kan een geruststelling zijn; er is tenminste nog iemand die interesse in mij heeft, die mij de moeite van het bekijken waard vindt. Wat voor de sterren geldt, geldt in onze steeds verder individualiserende, digitale samenleving in toenemende mate voor ons allemaal. Zo lang ik wordt bekeken/gezien heb ik bestaansrecht.

De laatste jaren is het medium fotografie onder invloed van de digitalisering en internet vrijwel onzichtbaar fundamenteel veranderd. Bijna iedereen draagt nu een camera (standaard aanwezig op iedere mobiele telefoon) bij zich, velen van ons hebben deze zelfs ALTIJD bij zich. Dit heeft tot gevolg dat er veel meer mensen veel meer foto's maken op veel meer plekken en momenten dan voorheen en dat deze beelden veel meer dan vroeger toegankelijk zijn voor mensen voor wie deze beelden niet bedoeld zijn. Wat betekent het zien-en-gezien-worden onder deze omstandigheden? Zijn wij tegenwoordig niet allen potentiële paparazzi?

Privacy omvat vele betekenissen en veranderingen in onze opvattingen over privacy lopen parallel met veranderingen in de samenleving. In 1996 installeerde de Amerikaanse Jennifer Ringley, toen begin twintig, een webcam in haar kamer, welke 24 uur per dag liet zien wat er op haar kamer gebeurde. Bezoekers konden op haar website vragen stellen. Eén van de meest gestelde vragen op haar website was waarom zij haar privacy op deze manier opgeeft. Haar antwoord luidde: ‘I don’t feel I’m giving up my privacy. Just because people can see me doesn’t mean it affects me. I’m still alone in my room, no matter what’.

In hoeverre zijn de behoefte van de voyeur om stiekem te kijken en de behoefte van de exhibitionist om gezien te worden ondertussen niet gewone, sociale waarden van onze cultuur geworden? Op internet vervagen de grenzen tussen wie kijkt, wie bekeken wordt of wie zich laat bekijken. Mensen geven hun private leven bloot op blogs en internetfora waar geen onderwerp onbesproken blijft, ook onderwerpen van zeer persoonlijke aard worden prijsgegeven aan het internet. Ook op internet geldt: wie gezien wordt, bestaat. Deze nieuwe zichtbaarheid is een potentiële zichtbaarheid; iedereen kan zichzelf in de etalage zetten, maar er moet wel iemand naar je kijken om gezien te worden. Als je daarentegen niet gezien wil worden, kost dat aanzienlijk meer moeite. Niet zichtbaar zijn op internet betekent dat je niets doet wat de moeite van het bekijken waard is, of dat je een bewuste keuze hebt gemaakt om jezelf niet in de etalage te zetten.

Met de alomtegenwoordigheid van de camera is iedereen vrijwel altijd in potentie bij iemand in het vizier en met een druk op de knop staat je beeltenis online alwaar het een eigen, oncontroleerbaar leven begint. Kon men zich in de samenleving rond 1900 nog betrapt voelen door het nieuwe fenomeen van de stiekem genomen foto, tegenwoordig kan men zich niet meer beroepen op onwetendheid. Voor ons, niet-beroemdheden, gelden tegenwoordig dezelfde regels als voor de sterren. Vandaag de dag moet men zich continu gedragen alsof er een foto genomen zou kunnen worden. Het kan namelijk. En als je niet betrapt wilt worden, of je beschaamd wil voelen door wat de foto laat zien, moet je ervoor zorgen dat je niet in verlegenheid gebracht kan worden. Je moet er altijd op je paasbest bijlopen en geen gekke dingen doen. En als er dan toch beelden publiek gemaakt worden waardoor je je ongemakkelijk voelt, is dat je eigen schuld.

Voyeurisme lijkt voor het eerst in de geschiedenis ingehaald te zijn door zijn complement, exhibitionisme. Vandaag de dag zijn er meer mensen die bekeken willen worden dan die kijken. Je kan je afvragen wat het kijken in deze wereld – waarin succes afgemeten wordt aan kijkcijfers en bezoekersaantallen - nog met zien te maken heeft. Zichtbaar zijn is een doel op zich geworden. Zichtbaar zijn zonder gezien te worden is zinloos, dus we vechten met zijn allen het hardst om de aandacht.
Het mechanisme van kijken en bekeken worden lijkt nu meer in dienst te staan van een geruststelling van de mensheid, een sociale omgangsvorm, een erkenning van ons bestaan. Wanneer we zichtbaar zijn, zijn we in ieder geval niet alleen, want er is iemand die ons ziet. In onze wereld komt virtueel contact meer en meer in de plaats van fysiek contact. De echte wereld wordt steeds individueler terwijl de virtuele wereld netwerken opent die in het echte leven ver buiten ons bereik liggen. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat mensen op internet veel opener zijn dan in het echte leven en dolgraag allerlei dingen over zichzelf vertellen. Op internet voelt men zich anoniemer en dus veiliger. De angst om bekeken te worden slaat om naar angst om niet bekeken te worden. Bekeken worden tast niet langer de privacy aan, want ook al word je bekeken, je bent hoe dan ook nog steeds alleen. Bekeken worden is enkel een bevestiging van het feit dat je er bent, dat iemand je ziet. Want wie niet bekeken wordt, wordt niet gezien. Wie niet wordt bekeken, bestaat niet.

Deze tekst is een bewerking van mijn afstudeerscriptie 'Theorie van het gluren' binnen de Master Photographic Studies, gepubliceerd als cahier bij de tentoonstelling 'Ron Galella. Paparazzo ExtraOrdinaire!' in Foam.