Create Happiness

In Shanghai is het leven snel. China lijkt haast te hebben. In de gauwigheid van de handel gaat het soms té snel. Op de gevel van een nachtclub staat in blinkende neonletters NIGHTCUB. L vergeten. Kan gebeuren als je haast hebt.

Voor een buitenlander in Shanghai is de schok niet zo groot. Er zijn genoeg Westerse referenties. Het angstige beeld te verdwalen in een labyrint van straten met onleesbare namen en niet-Engels-sprekende Chinezen die je aan je lot over laten in een massa van beton die de horizon laat verdwijnen, niets van waar. Allemaal bangmakerij. Alhoewel Engels sprekende Chinezen op straat nog steeds een zeldzaamheid zijn, de weg kan je aardig vinden. Alle straten staan keurig aangegeven in het Engels. Chinezen doen hun best om de buitenlandse bezoeker te bedienen in het Engels. Dat ze daarbij af en toe een foutje in de vertaling maken, wordt vergeven. De Chinese logica is fascinerend, soms onnavolgbaar voor de Westerse geest, soms verrassend simpel. De dingen lijken gewoon te gaan zoals ze moeten gaan. Er zijn geen andere opties. Als je auto rijdt, dan toeter je. Als je iets verliest, krijg je er iets moois voor terug.

Waarom acht fotografen onafhankelijk van elkaar naar China gingen? In China schijnt het te gebeuren. Fotograferen is een geluks-drug. In een andere omgeving zie je de dingen nou eenmaal anders. Frisser. De dagelijkse bezigheden van thuis zijn niet aanwezig. Het enige wat telt is de fotografie, de bevrediging van je eigen nieuwsgierigheid. De motivatie om te fotograferen is toch vaak net die ene foto te maken waarvan je gelukkig wordt. Al is het maar voor even. Misschien wel extra in een stad als Shanghai.

Geluk zit in kleine dingen. In een meisje met een prachtige blanke huid wat danst op een binnenplein, de roze blosjes op haar wangen, haar roze lippen en de roze bloemen, onscherp op de achtergrond. Of een straal licht door de bladeren van het bos. Als je zou willen kan je in het sprookje van bladgoud geloven. Maar het laagje luxe is dun. Wat opvalt is de schone schijn. Chinezen zijn goed in de schone schijn.
Overal worden nog meer wolkenkrabbers uit de grond gestampt. Dag en nacht wordt er gewerkt. Maar de verwarring treedt op wanneer je goed kijkt. Het onderscheidt tussen nieuw en oud is soms moeilijk te maken. Is een gebouw net nieuw, nog niet af, of is het oud en wordt het afgebroken? In de haast wordt er snel en goedkoop gebouwd, waardoor een gebouw van nog geen vijf jaar oud er doorleefd uitziet alsof het er al dertig jaar staat.

Iedere dag gebeurt er wel iets wat je verbaasd. Wat je blijft verbazen is de vanzelfsprekende armoede die steeds weer overgaat in oppervlakkige weelde of echte rijkdom. Zoals ook steeds sprookjesachtige mooie taferelen moeiteloos overvloeien in de werkelijkheid. Een man verdwijnt half in de rook van de barbecue achterop zijn fiets. Een jongeman in uniform vist het geluk uit de vijver terwijl zijn collega’s in polonaise de stoep schoonvegen. Op de weg is het druk, iedereen toetert zich een weg door de massa van blik en smog. De metro is overvol. Het aandrukken van de massa zodat de deur dicht kan is gewoon een baan van iemand met een megafoon om zijn nek.

Wat opvalt zijn vooral de meisjes, die aan een ideaalbeeld lijken te willen voldoen. Welk ideaalbeeld dat is, wordt bij navraag in het vage gehouden. Nog iets waar Chinezen goed in zijn; praten, maar niets zeggen. Ondertussen floreert de business van de plastische chirurgie, aldus de krantenberichten. Er zijn weinig vrouwen die zich daar openlijk over uit laten. Als je de tijdschriften bekijkt overheerst het beeld van bevallige, jonge Chinese ‘popjes’ met een blanke teint en een Westers ogende neus, dat wil zeggen, smaller en hoger dan de Chinese neus. En de double-eye-lid, volgens sommigen een oud Chinees schoonheidsideaal. Anderen zien er de invloed van het Westen in. Soms geloof je het sprookje, tot je een stukje harde realiteit ontdekt.

Beelden van de Chinese economische voorspoed die nu het Westen overspoelen staan in schril contrast met het beeld van mensen die hun dagen vullen met het oprapen van plastic flesjes. Tientallen mensen lopen voorbij zonder ook maar te kijken naar het flesje dat voor de camera ligt. De mensen die bukken voor een flesje zijn niet zonder meer te herkennen in de menigte. Het kan iedereen zijn. Van vrouwen die met boodschappentassen van de supermarkt komen, mensen die een zondags ommetje lijken te maken of – het meest voor de hand liggend – zwervers.

Shanghai is een vreemde plek. Een plek waar veel lijkt te gebeuren. De dagelijkse drukte op straat, de snelheid waarmee gehandeld wordt. Overal wordt gebouwd. Overal stof. Maar tegelijkertijd realiseer je je dat er weinig nieuwe dingen gebeuren. Alles wat er gebeurt heb je elders al eens gezien. Maar niet in zo’n vaart, zo’n snelheid en in zo een veelheid. Shanghai is een stad waar de werkelijkheid kan duizelen. Dan lijkt die duizeling net een droom. Als tijdelijke bewoner van Shanghai laveer je constant tussen de weelde die een buitenlander zich kan permitteren en de realiteit van de dag, tussen alles wat je herkent en al wat vreemd is. Tegelijk overheerst het gevoel dat alles wat je herkent hier geen betekenis heeft. Het is er wel, maar als een lege huls. Het is enkel een herkenningspunt. Echt is een relatief begrip in China. Echt is maar net wat je gelooft. Tijdelijk. Shanghai is als een geïsoleerde bubbel waar je over de ‘elevated road’ de stad in rijdt, in een taxi die niet aflatend toetert langs een decor van kantoren en flats. Zodra je op plaats van bestemming op ‘begane grond-straatniveau’ staat, is het moeilijk nog een uitzicht te krijgen. De beleving van het artificiële en de gelaagdheid van de stad laat een diepe indruk achter. Is het niet een heerlijk gevoel, je te kunnen verliezen op een plek waar je als in een sprookje kan leven?

Deze tekst is gepubliceerd in Fw: #5, met daarin werk van Edith Eussen, Dieuwertje Komen, Karin Krijgsman, Rafael Philippen, Petra Stavast, Hanneke Treffers en WassinkLundgren.