Gezien worden staat centraal in onze hedendaagse aandachtseconomie. We kijken en worden bekeken. Voor Tubelight.nl zoek ik naar actuele voorbeelden van de stiekeme blik van de fotograaf en zet deze in maatschappelijke context.

Slordige meisjes krijgen hoofdrol in Foam

‘Every image on my screen belongs to me,’ sprak Constant Dullaart in een van zijn bijdragen aan de Foam What’s Next expert meeting op 19 maart jongstleden. Het lijkt me juridisch niet hard te maken, maar het uitgangspunt vond ik ronduit heerlijk.

Joachim Schmid zei het al jaren geleden, maar toen was ik nog niet zo ver; hij trekt er niet meer op uit om nieuw beeld te maken. Geen nieuwe beelden tot de oude beelden op zijn! En zo begon hij aan het hergebruiken van allerhande beeld. Ook hij struint via Google Earth en Google Streetview de globe af.

Schmid gebruikt niet langer een camera die om zijn nek hangt om de wereld vast te leggen, maar niets weerhoudt hem ervan zijn computerscherm als een hedendaags matglas te gebruiken. Je weet wel, dat kleine glaasje waar je bij een analoge camera nog wel eens doorheen keek voor je de ontspanknop indrukte. Tegenwoordig gebruiken we dat niet meer – het is er nog wel. Tegenwoordig gebruiken wij het schermpje op de achterkant van de camera of op de telefoon; of het beeldscherm van je computer, of je scanner ...

En eigenlijk is het niet meer dan logisch. De meerwaarde voor de hedendaagse fotograaf is het vermogen te kunnen selecteren en editen om betekenis te genereren in onze beeldenzee. Het editen is het nieuwe maken, aldus Schmid. De bronnen zijn onbegrensd en de mogelijkheden eindeloos.

Maar waar ligt de grens van wat je wel en niet laat zien? Als fotograaf heb je een verantwoordelijkheid voor de beelden die je toont, ook als die van een ander zijn, of van vele anderen zijn samengevoegd. In het geval van een compilatie van 8799661 zonsondergangen van Flickr komt de ethische vraag nog niet zo snel om de hoek kijken, maar wanneer je foto’s en tweets van argeloze doch exhibitionistische jonge meisjes uit verschillende bronnen samenbrengt op een zolderkamer van een museum, dan moet je beslissingen nemen.

Willem Popelier vond ‘bij toeval’ een verzameling foto’s op een computer in een winkel, van twee meisjes die in korte tijd een hele serie kijk-ons-eens-leuk-zijn-foto’s produceerden via de ingebouwde webcam. Op meer dan helft van de beelden vonden ze zichzelf toch net niet leuk genoeg, dus die verwijderden ze. Bleven er toch nog mooi zo’n kleine 100 beelden over.

En die beelden werden niet gewist door het winkelpersoneel, ze bleven er maandenlang op staan tot op een goed moment Popelier het lef had de beelden op zijn usbstick te zetten. Met goed amateur-detective-werk via de beschikbare huis-tuin-en-keuken-internet-zoekmachines achterhaalde hij de identiteit van de meisjes. Dat ging zelfs zo ver dat hij een ‘follower’ van een van de twee werd en tot op de dag van vandaag meerdere malen per uur een nieuw bericht ontvangt wat door haar onwetend de wereld ingezonden wordt over alle ditjes en datjes van het tienerleven van een meisje van nu.

Haar berichten komen nu integraal binnen op een matrixprinter die op drie hoog pontificaal in het midden van de zaal in Foam staat, omringd door alle beelden van de dames. Geanonimiseerd, dat wel. Want het gaat om het fenomeen, niet om het individu. Wat zal ze twitteren als ze er achter komt dat haar losse beelden en kreten samengevoegd zijn tot een samenhangend verhaal waarin zij de anonieme hoofdrol speelt?